Geschilderd portret

Pas vroeg mijn partner me welke afbeeldingen die we thuis aan de muur hebben hangen (schilderijen, foto’s, een ets) ik het liefste zou willen meenemen naar een nieuw huis. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Ik koos voor het schilderij dat de kunstschilder (Bob ten Hoope) eind jaren ’60 van de vorige eeuw van haar heeft gemaakt, toen ze dertien jaar oud was. En dan ook nog het schilderij dat diezelfde kunstschilder in de jaren ’90 heeft gemaakt van onze zoon. Kennelijk vertegenwoordigen die schilderijen voor mij iets bijzonders, iets extra persoonlijks. En zijn ze daarom meer de moeite waard dan de ets van Jan Sierhuis of de foto’s van Erik Lieber, die ik ook had kunnen kiezen


 

Ik heb ook foto’s van mijn partner toen ze nog een jong meisje was. Die vind ik intrigerend en mooi. En ik zou haar graag zo gekend hebben. Maar die foto’s laten toch veel minder van haar persoon zien dan het schilderij van haar, vind ik.

In de tijd vóór de fotografie had vrijwel niemand een portret van zichzelf. Alleen als je rijk was kon je een schilder opdracht geven een portret van je te maken. En als je superrijk was liet je er gelijk een aantal maken. Ik las pas in de krant over een rijke zeekapitein in de Gouden Eeuw die tien (!) portretten tegelijk bestelde, zodat iedereen zijn afbeelding kon bewonderen! Mensen zonder geld moesten het doen zonder portret, of hooguit met een tekening of met een nagetekende en uitgeknipte schaduw van zichzelf.

Fotografie voorzag daarom in een grote behoefte. Want voortaan kon iedereen voor weinig geld een portret van zichzelf kopen . Niet voor niets waren de zgn. cartes de visite (fotoportretten op vistekaart-formaat) het eerste echte verdienmodel van de fotografie. Iedereen wilde afbeeldingen van zichzelf en van zijn of haar geliefden hebben. Of van bekende mensen, zoals filmsterren en koninklijke personages.

Het is te begrijpen dat de kunstschilders helemaal niet blij waren met de komst van de fotografie. Hun belangrijkste bron van inkomsten dreigde weg te vallen. Dus zij riepen onmiddellijk dat fotografie een mechanisch trucje was en niets met kunst te maken had. En dat de fotografische portretten dus ook niets voorstelden, omdat de geest erin ontbrak. Pas gaandeweg kwam er een soort waterscheiding waar het portretten betreft, tussen de schilderkunst en de fotografie. Voortaan zorgde de fotografie voor de huis-tuin-en-keuken portretten , zoals pasfoto’s, foto’s voor in een album en om weg te geven, portretten in de krant, etc. . En de schilderkunst zorgde voor persoonlijke, betekenisvolle portretten in groter formaat, voor aan de muur.

Er wordt wel gezegd dat een geschilderd portret veel beter de persoon in al zijn/haar aspecten vastlegt dan een foto, omdat een goede schilder die aspecten er allemaal in kan aanbrengen. Terwijl een fotoportret één bepaald moment in de tijd vastlegt en dus nooit allerlei kanten van iemand die op verschillende momenten zichtbaar zijn in één beeld kan vastleggen. Daar heb je een serie foto’s voor nodig, in plaats van één schilderij. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Ik denk dat een goede fotograaf ook een heel eind kan komen, als hij/zij er de tijd voor neemt.

Ik denk bijvoorbeeld aan die prachtige foto van Marilyn Monroe, gemaakt door de bekende fotograaf Richard Avedon in mei 1957 – na afloop van een langdurige fotosessie, toen zij even haar “ware” gezicht liet zien. Hij zegt daarover: “Urenlang danste ze, zong ze, flirtte ze en deed ze haar ding – dat wil zeggen: deed ze Marilyn Monroe. En toen kwam het onvermijdelijke einde. Toen de nacht voorbij was en de witte wijn op en toen ze niet langer meer danste, zat ze in de hoek van de ruimte als een kind zonder iets. Ik zag haar daar heel rustig zitten, zonder enige uitdrukking op haar gezicht, en ik liep naar haar toe. Maar ik wilde geen foto van haar maken zonder dat ze dat wist. Toen ik de camera op haar richtte zag ik dat ze geen “niet doen” zei.“ Op die manier maakte Richard Avedon van een van de meest gefotografeerde sterren een foto zonder haar publieke gezicht. Een foto die een zeldzaam inkijkje geeft in het gevoelsleven van de mens achter Marilyn Monroe. Fotograaf Viktor Muniz zegt over deze foto: “Dit is een afbeelding van Norma Jean (want zo heette ze eigenlijk- HV) , niet van Marilyn”.

Of ik zie de portretten voor me die de Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra heeft gemaakt van jonge mensen aan het strand of in het park, met haar analoge grootbeeld camera.
Wanneer is een portret goed gelukt? “Ik vind het moeilijk dat in woorden te vatten”, zegt Dijkstra. „Er moet een gevoel van aanwezigheid in het beeld zitten, een soort levendigheid. Fotografie blijft een momentopname. Er is altijd een moment voor en een moment na de foto. En ergens zit nog dat idee van beweging, dat moet je zien te vangen. Kijk naar de portretten van Rembrandt, die zijn haast fotografisch van aard, daar zit zoveel intensiteit in. Hij wist precies het juiste moment vast te leggen. Wat moeilijk is, want zijn modellen moesten urenlang stilzitten. Mensen verstarren dan, ze gaan staren. Dat Rembrandt toch die levendige blik wist te behouden, is ongelofelijk knap.”
Ze wijst op haar beroemde foto van het meisje in een oranje bikini op het strand. „Zij was heel onzeker en dat zie je mede aan de vele sporen die ze met haar voeten in het zand heeft getrokken terwijl ze naar een pose zocht. Maar toen ik haar fotografeerde zag ik die sporen niet. Zo moet er altijd iets in het portret zitten wat aan je controle ontglipt. Als je alles van tevoren bedenkt, wordt het beeld te eendimensionaal. In een goed portret zit ook altijd iets van toeval, iets wat je zelf niet had kunnen voorzien. Ik houd van die terloopsheid. Het moet er niet te geposeerd uitzien. Daarom zoek ik naar de natuurlijke houding van mijn modellen. Dan zeg ik, terwijl ik mijn camera installeer: ga maar vast lekker op die bank zitten. Op een gegeven moment gaan ze toch een houding zoeken die lekker zit. Dan ontspannen ze zich. En dan druk ik af.”

Ik heb in de loop van de jaren heel wat foto’s van mijn partner gemaakt. Omdat wij elkaar goed kennen is ze daarop in de meeste gevallen heel ontspannen. Maar ik ben geen Rineke Dijkstra of Richard Avedon. Dus heel uitzonderlijk zijn die portretten niet. Ik zie in mijn foto’s van haar wel de persoon die ik ken als mijn partner. Maar ik vind het geschilderde portret, gemaakt toen ze 13 was, “echter” dan welke foto van haar die ik daarna heb gemaakt.


Ik moet opeens denken aan de Franse filosoof Barthes, die in zijn prachtige boekje Camera Lucida beschrijft dat geen enkele foto van zijn (overleden) moeder leek op de moeder die hij gekend had. Totdat hij een foto van haar ontdekte toen ze vijf jaar oud was, waarin hij zijn moeder terugvond. Precies zoals ze voor hem was. Ondanks het feit dat hij haar natuurlijk nooit gekend had als vijfjarige.
Zoiets heb ik met het schilderij van mijn partner op dertienjarige leeftijd. Daarin herken ik haar méér dan in welke foto ook. Hoewel ik haar nooit zo gezien heb. Ze was zevenentwintig toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten.

Gelukkig heb ik het schilderij nog! En kan ik dat, dankzij de fotografie, aan u laten zien. Maar zo’n tweedimensionale foto laat toch niet echt de magie van het schilderij zien!