Moderne fotografie

Ik zat na te denken over de hoe de fotografie zich in de loop der tijden heeft ontwikkeld, en kwam zo uiteindelijk terecht op de vraag: Wat is moderne fotografie? Ik vond dat wel een interessante vraag en ging erover lezen en erover nadenken.

Op Internet vind je allerlei linken naar dit thema. Ik geef de eerste vier die ik al googelend vond:
• Een link naar een youtube-film van 10 minuten, waarin fotograaf Marc Wynen twee zogenaamde fotografen zogenaamd interviewt over “moderne fotografie”. Wat mij betreft zo flauw dat het al heel gauw niet meer leuk is. Maar kijk zelf!
• Een link naar 12 weetjes over moderne fotografie, die allemaal gaan over hoe je de mogelijkheden van de digitale fotografie zo goed mogelijk kunt gebruiken. Technisch interessant, maar niet meer dan dat.
• Een artikel uit het Parool, van januari 2017, dat gaat over 30 voorbeelden van moderne kunst- en documentaire-fotografie, die het Rijksmuseum de afgelopen tien jaar heeft kunnen aanschaffen met financiële ondersteuning van het advocatenkantoor Baker McKenzie. “Modern” is in dit geval een rekbaar begrip, het gaat om foto’s gemaakt tussen 1928 (!) en 2015. Van fotografen als Herbert Matter, William Klein, Lisette Model, Helen Levitt en Steve Fitch (zie foto). In een toelichting zegt het Rijksmuseum dat al deze fotografen “experimenteerden met de artistieke mogelijkheden van het medium”.
• En dan ook nog: “Moderne Fotografie Beelden”, die gratis zijn te downloaden op Pixabay – vergelijkbaar met de stroom van beelden die je op Google Afbeeldingen kunt vinden

Deze (en vele andere) linken hielpen mij niet echt veel verder met het vinden van een antwoord op de vraag wat moderne fotografie eigenlijk is. Maar gelukkig vond ik ook een link naar het boek Moderne fotografie verklaard (uit 2013) van Jackie Higgins. Een boek dat als verhelderende ondertitel meekreeg: Waarom het niet scherp hoeft te zijn. Kijk, dat klinkt interessant!
Jackie Higgins is een schrijver, journalist en filmmaker, die over heel veel verschillende onderwerpen heeft geschreven. Onder andere over fotografie en dan met name over de hedendaagse fotografie. In dit boek legt zij uit wat de hedendaagse fotografie onderscheidt van de fotografie in voorgaande periodes. Ze heeft het dan wel over de zgn. autonome fotografie, de kunstfotografie. En niet over de reclamefotografie, de technische fotografie, de wetenschappelijke fotografie, de huis-tuin- en keuken-fotografie, de journalistieke fotografie, etc. In deze blog probeer ik in simpele lijnen aan te geven wat haar antwoord is op de vraag Wat is moderne (kunst)fotografie?

In grote lijnen gaat haar verhaal als volgt. Toen de fotografie werd uitgevonden (rond 1839) zag men het in eerste instantie vooral als een manier om met technische hulpmiddelen de werkelijkheid om ons heen vast te leggen. William Henry Fox Talbot, een van de uitvinders van de fotografie, sprak in dit verband over “het potlood van de natuur zelf” die de werkelijkheid uittekende.

Omdat tot dan toe tekenaars en kunstschilders degenen waren die de werkelijkheid vastlegden (denk bv. aan portretten en landschappen) voelden die zich natuurlijk bedreigd door de fotografie. Er ontstond daarop een gevecht over de vraag wie echte “kunst” maakte en wie niet. Daarbij delfde de fotografie in eerste instantie het onderspit, omdat foto’s “niets anders” waren dan een technische weergave van de werkelijkheid. Als zodanig kon de fotografie “een bescheiden hulpmiddel zijn voor de wetenschap en de kunst, maar niet meer dan dat”, schreef de Franse dichter Charles Baudelaire.

Om toch als kunstenaar serieus genomen te worden probeerden fotografen daarop hun foto’s op schilderijen te laten lijken (pictorialisme), door ze een beetje onscherp en wat onderbelicht te maken, wat met de papieren negatieven van vroeger niet zo moeilijk was (zie foto links).  Maar voor de meeste mensen was wel duidelijk dat foto’s het product waren van mechanische en chemische processen en niet van het artistieke talent en vakkundigheid van de fotograaf. Fotografie was dus geen kunst!

De fotografie is daarna de nadruk veel meer gaan leggen op waar het wèl goed in was, namelijk het zorgvuldig vastleggen van de werkelijkheid. Zo kwam er als reactie op het pictorialisme een periode dat fotografen heel veel aandacht gingen besteden aan een juiste belichting en aan een perfecte scherpstelling, liefst van voor tot achter op de foto. Dit werd mede mogelijk gemaakt door grote technische stappen vooruit (glasnegatieven, later lichtgevoeliger rolfilms, betere lenzen, kleinbeeldcamera’s). Van belang was ook dat die foto’s perfect werden afgedrukt, liefst met alle grijstinten tussen zwart en wit en details in de schaduwpartijen (zie foto rechts). Fotografie werd op die manier een eigenstandig en serieus te nemen vakgebied. Maar nog steeds geen kunst!

Als reactie op die keurige en zorgvuldige fotografie kwamen er natuurlijk ook weer fotografen die hun foto’s bewust níet scherp, níet goed belicht en níet volgens de regels afgedrukt gingen maken (zie foto links). Zo kon een fotograaf een soort eigen stijl van fotograferen introduceren, om op te vallen zeg maar. Daarmee werd de basis gelegd voor fotografie als persoonlijke vorm van expressie, en dus een vorm van kunst.
Dat werd nog sterker het geval met de komst van de kleurenfotografie. Kleur werd in eerste instantie vooral in de reclamewereld gebruikt en veel fotografen daarbuiten vonden kleurenfotografie nogal platvloers. Maar gaandeweg ontdekten fotografen dat je ook met kleurenfilms (en met polaroidcamera’s) hele bijzondere, eigen dingen kon doen (zie foto rechts).

En daarmee zijn we, zegt Jackie Higgins, in de moderne fotografie eigenlijk weer terug bij waar de fotografie begon. De vraag was toen en is nu: Hoe kun je het fotografisch proces zo beïnvloeden dat je er je eigen verbeelding van de werkelijkheid mee kunt uitdrukken?
In het pictorialisme gebruikte men (bij gebrek aan beter) weinig lichtgevoelige, papieren negatieven, om daarmee afdrukken te maken die op schilderijen leken. Een soort na-apen dus. In de moderne fotografie maakt men gebruik van alle fotografische “fouten” die je maar kunt bedenken, om een geheel eigen beeld te scheppen. Een groot verschil is ook dat men als fotograaf vroeger weinig beïnvloedingsmogelijkheden had, terwijl de moderne fotograaf –zeker met de komst van de digitale fotografie – allerlei mogelijkheden heeft om zijn beelden geheel naar eigen wens te maken.

)

In het boek geeft Jackie Higgins daarvan vele voorbeelden. Ze maakt daarbij een overzichtelijk onderscheid tussen portretten, documentaire fotografie, stillevens, verhalende fotografie, landschappen en abstracte fotografie. En ze laat zien dat op elk van die terreinen moderne fotografen niet bezig zijn om de werkelijkheid weer te geven zoals je die met het blote oog ziet, maar in plaats daarvan de werkelijkheid zoals zij die als kunstenaar zien.
Moderne portretten verstoppen en vervormen hun onderwerp in plaats van het te tonen. Moderne documentaire foto’s plaatsen vraagtekens bij de werkelijkheid die ze vastleggen (zie foto linksboven). Moderne stillevens worden bewust gemaakt met hulp van hele oude fototechnieken (zie foto rechtsboven). Moderne verhalende foto’s grijpen terug op de taal van de film. Moderne landschappen bekijken de wereld niet gewoon door de lens van het fototoestel, maar liefst door de lenzen van ruimte en tijd. En moderne fotografen hebben er plezier in de werkelijkheid in hun foto’s zo te verwringen dat er nog slechts een abstract beeld overblijft(zie foto hieronder).

Moderne fotografen gebruiken de fotografie als belangrijk instrument om hun verbeelding vorm te geven. En het resultaat is, zegt Higgins, dat de fotografie niet meer een bescheiden hulpmiddel voor de kunst is (zoals Baudelaire dat wenste), maar “misschien wel de belangrijkste kunstvorm van onze tijd”.
Moderne fotografie is daarmee voor mij iets dichterbij gekomen. Zoals de ondertitel van het boek al zegt: Het hoeft helemaal niet scherp te zijn!