Voegen professionele fotografen eigenlijk nog wat toe?

Ik was bij de tentoonstelling Greatest Landscapes in het Museon in Den Haag. Prachtige foto’s, gemaakt door de professionele fotografen van het blad National Geographic en heel mooi getoond in lichtbakken, van achteren belicht dus. Direct daarnáást was ook nog een tentoonstelling van Nederlandse natuurfotografen. Kijkend naar die laatste tentoonstelling dacht ik: Met de huidige hoogwaardige fotoapparatuur kan iemand die een beetje serieus fotografeert prachtige foto’s maken. Daar heb je eigenlijk helemaal geen professionele fotograaf meer bij nodig? Is dat echt zo? Daarover gaat deze blog.


Ik moet toegeven dat de foto’s van Greatest Landscapes van een bijzondere kwaliteit waren. Die foto’s staken, vond ik, duidelijk uit boven de Nederlandse natuurfoto’s. Maar wat is dat dan? Waarin onderscheiden die foto’s zich? Ik zou zeggen: ze onderscheiden zich in hun onderwerpkeuze, compositie, belichting, scherpte/diepte, inhoud. Onderwerp: Bijzondere landschappen in de wereld, op plekken waar veel mensen niet of niet gemakkelijk komen. Compositie: Dit heeft te maken met de keuze van het camera-standpunt, de gebruikte lens, de beeldhoek, wat vang je allemaal in de foto en wat niet, hoe maak je daar een mooi plaatje van? Belichting: de getoonde foto’s zijn prachtig belicht, ook in de lichte en donkere plekken zie je nog details, mooi contrast in het beeld. Scherpte/diepte: er is aandacht besteed aan de scherpte/ diepte, soms door de foto van voor tot achter scherp te maken, soms door juist een bepaalde laag scherp te maken en de rest onscherp. Inhoud: wat is de “boodschap” die het beeld met zich meedraagt, wat roept het beeld bij de toeschouwer op – naast het gevoel dat het een mooi plaatje is.
Kunnen professionele fotografen dat alles beter dan de serieuze amateur, die gebruik maakt van state-of-the-art fotoapparatuur? En waar zit dat dan in?


Ik weet dat ik na het bekijken van een fototentoonstelling met werk van Steve McCurry ooit schreef: “Ik heb óók een Nikon-camera, net als hij. Maar wat hij ermee kan is zo ongelofelijk veel meer dan wat ik ermee kan.” Ik weet niet wat het is, maar het is duidelijk een verschil van dag en nacht. Een verschil op alle van de bovenstaande punten, maar vooral ook in de zeggingskracht van zijn beelden. De combinatie van beeld en inhoud. Hij stopt “betekenis” in zijn beelden, waar het bij mij gewoon plaatjes blijven. Dat is meer dan de wet van de grote getallen. Natuurlijk maakt Steve McCurry veel meer foto’s dan ik, maar hij maakt verhoudingsgewijs nog véél meer bijzondere foto’s dan ik.
Een klein stukje van het verhaal heeft misschien wel te maken met de beeldbewerking die professionele fotografen toepassen (ook Steve McCurry; “Het ziet er heel vanzelfsprekend uit, maar er is hard aan gewerkt om dat zo te krijgen,” vertelt hij in een documentaire over zijn werk).
Een ander stukje van het verhaal zit misschien ook in het feit dat professionele fotografen nóg weer betere camera’s gebruiken dan de amateur-fotograaf. Maar ik heb ook het gevoel dat hele goede professionele fotografen mooiere foto’s kunnen maken met míjn Nikon D50, dan ik met hun state-of-the-art fototoestellen.


Terug naar mijn vraag of met de moderne fotoapparatuur professionele fotografen nog wel een meerwaarde hebben? Alsof de duivel ermee speelde kwam ik de week nadat ik over deze vraag begon na te denken allemaal landschapsfoto’s van professionele fotografen tegen. Niet van documentaire fotografen, maar van autonome (=kunst) fotografen om precies te zijn.

Dat begon op de fotobeurs Unseen in Amsterdam, waar ik opliep tegen een bijzondere landschapsfoto van Sean McFarland uit de VS. Volslagen anders dan de foto’s van de National Geographic fotografen. Helemaal niet scherp, er zijn duidelijk meerdere lagen over elkaar heen afgedrukt, maar wel een landschap. De fotograaf zegt hierover dat hij op deze manier wil laten zien dat een landschap niet één plaatje is, maar bestaat uit verschillende lagen, achter en náást elkaar. Dat laat hij met zijn foto zien. Ik ga over hem nog wel eens een apart blog schrijven.


En, eveneens op Unseen, zag ik: Samin Ahmadzadeh uit Iran. Zij maakt vlechtwerken van foto’s uit haar archief, en komt zo tot nieuwe beelden. Zij wil daarmee het idee versterken, dat herinnering en identiteit bij mensen met elkaar verweven zijn. En dat er allerlei hele gewone verbindingslijnen lopen tussen mensen onderling, dwars door grenzen, tijd en culturen heen. Haar meest recente thema is landschappen, ”omdat de landschappen waarin we leven een belangrijke rol spelen in wat ons tot mens maakt.”


Twee kunstfotografen, die met hun werk dus heel anders naar landschappen kijken dan de fotografen van National Geographic. En die daar duidelijke dingen over te vertellen hebben. In hun werk als professioneel fotograaf laten ze mij zien dat ze een meerwaarde hebben boven de technisch onderlegde serieuze amateurfotograaf. Die meerwaarde zit ‘m niet zozeer in de techniek, maar meer in wat de fotograaf “ziet” in een landschap en hoe hij of zij dat weergeeft in haar of zijn beelden.

Maar het hield niet op bij Unseen. De week daarna was ik in Rotterdam en ook hier zag ik allerlei beelden van landschappen, gemaakt door autonome fotografen, die zich ook nu weer vooral onderscheidden door hun manier van kijken naar de wereld en hoe ze dat in beelden vastlegden.

Bijvoorbeeld de foto’s van Maarten Vromans in de serie Lucky Shots. “Al rijdend met de trein fotografeer ik landschappen en stadsgezichten die aan me voorbijschieten. Mijn projectdagen zijn altijd onvoorspelbaar. Ik weet bijvoorbeeld niet of het raam waardoor ik moet fotograferen wel schoon is. Ik kan niet voorspellen hoe hard mijn trein rijdt. Of inschatten hoe de berm naast de rails er over honderd meter uitziet. Maar al deze en andere factoren die ik niet in hand heb, zijn van invloed op de beelden die ontstaan.” Wat een verschil met de zorgvuldig gecontroleerde beelden van National Geographic!


Of de foto’s van Gerco de Ruijter, die zijn fotocamera aan een vlieger hangt en vanaf grote hoogte de vaak kleurrijke patronen vastlegt van het landschap onder de vlieger. En die soms het resultaat daarvan vervolgens weer filmt, zodat het is alsof je in een ballon over het stilstaande landschap heen vliegt. Wat vooral opvalt is dat landschappen bij hem vaak eerder gekleurde vlakken zijn, met zich herhalende patronen, dan herkenbare landschappen, zoals wij die normaal gesproken kennen. Denk bv. aan zijn foto’s van besproeiings-installaties, die water in een cirkel rondsproeien (zie foto rechts).

En nog een laatste voorbeeld. Op Breda Photo kwam ik foto’s tegen gemaakt door Antony Cairns uit Engeland die daarover het volgende zegt: “Vandaag de dag is het heel gemakkelijk om een technisch perfecte digitale foto te maken. Iedereen kan dat, op Instagram, met behulp van Photoshop, noem maar op. Maar die manier van werken mist elke ziel! Daarom ben ik teruggekeerd naar ouderwetse fotografie, met hulp van chemische processen”


En zo zijn er vele voorbeelden van autonome fotografen, die een geheel eigen insteek kiezen om landschappen (of andere onderwerpen) in beelden vast te leggen en zich daarmee onderscheiden van de “gewone” fotografen. Het verschil zit niet zozeer in de kwaliteit van de apparatuur die ze gebruiken, maar vooral in hun manier van kijken naar hun onderwerp en de betekenis die zij in hun beelden leggen.

Dit laatste is ook mijn voorlopige conclusie over de vraag of professionele fotografen nog iets toe te voegen hebben. Ja, ze hebben een meerwaarde, op het terrein van de techniek, maar vooral op het terrein van de inhoud en betekenisgeving van foto’s.
Dit is overigens een voorlopige conclusie, want ik voel dat ik nog niet klaar ben met de vraag. Dus er zal nog wel een vervolgblog over dit onderwerp komen.